Het is een grasveld ter grootte van een tennisbaan. De school ligt tegen de heuvel aan. Vanuit de sloppenwijk Imizamo Yethu (Hout Bay) is het minstens twintig minuten lopen. Als je achterin de wijk woont, is het langer, tot aan een uur. De klaslokalen zien er op het eerste gezicht prima uit. Schoolbord aan de muur, hoog plafond, ouderwetse houten schoolbankjes en alle kinderen in een uniform. De leraar houdt ze stil, het zijn klassen van vijftig kinderen.

Als je iets beter kijkt heeft niet iedereen hetzelfde uniform aan, hier en daar zit een gat in een overhemd of pantalon. Het is warm en de deuren staan open, aangezien niet alle raamkozijnen glas bevatten, is het goed te doen in het klaslokaal. Om tien voor acht ’s ochtends begint de eerste les. De eetpauze is omstreeks tien uur. Hulpmoeders, gekleed in gewaden, verschijnen met grote pannen rijst en eten. Ieder kind staat netjes in de rij en krijgt een bordje. Op de meeste dagen is de schooldag om twee uur ’s middags voorbij. Dan verschijnen er direct tientallen kinderen op het grasveld.
Op het bobbelige veldje laten we de kinderen tegen elkaar sprinten. We proberen jongetjes van dezelfde leeftijd naast elkaar te zetten. Op een rechte lijn, ik leg uit dat we bij ‘go’ gaan rennen. En bij elke race herhaal ik meerdere keren dat ze rechtdoor moeten rennen. En elke race verloopt als een piramide. Als magneten rennen alle kinderen naar hetzelfde punt. Maar ze rennen hard. Volgende groep, hetzelfde proces. Twee weken later is er een sportdag en per leeftijd mogen er drie meedoen. We brengen alle sprintgroepjes terug tot een overzichtelijk aantal. De snelste kinderen houden we op het veldje. We schrijven hun namen op. We spreken ze niet uit. We schrijven ze alleen op, het is voor mij fysiek onmogelijk op het bijzondere ‘klak’ in de woorden uit te spreken. De moedertaal is overwegend Xhosa, fascinerende taal.

Na twee weken hebben we een lijst namen, leeftijden, klassen en een opstelling. Mzuuvukile doet de 80 meter sprint en verspringen. Nzuzo en Nozubenathi toch de lange afstand, een 1200 meter, en dan mag Sihavoyo in het estafetteteam. Kogelstoten laten we over aan Siphesethu en Xolani. De sportdag is een mooie dag. We doen met de Oranjekloof Primary School mee tegen drie andere scholen. Twee zijn geheel blank, één bestaat uit ‘coloureds’ en wij hebben alleen zwarte kinderen. Deze zin heb ik zojuist uren bekeken, deze termen zijn hier de normaalste zaak van de wereld. Ik vind het raar. Een verschil dat snel duidelijk wordt op de sportdag, is de lengte van de kinderen. Vanwege slechte voeding en gebrek aan vitamines, zijn de kinderen van ‘mijn’ school gemiddeld een kop kleiner.

We worden vierde. Ik ben zeer tevreden, want de kinderen die meededen hadden veel plezier en deden goed mee. Met hun oranje sportoutfits zagen ze er goed uit op de mooie atletiekbaan. Er waren zelfs tien kinderen die op hun onderdeel eerste of tweede waren geworden. Dit betekende dat zij waren geselecteerd voor de Western Cape Games, een grote wedstrijd. Alle nummers 1 en 2 mochten uitkomen voor het plaatsje Houtbay, en het opnemen tegen andere plaatsen in de Western Cape. Wij hadden tien kinderen die zich hadden geplaatst voor deze wedstrijd. Dit kon een bijzondere dag worden. Als zij op die wedstrijd wederom eerste of tweede zouden worden, zou er een sportschool in het verschiet kunnen liggen. Wat wellicht zou betekenen dat er een toekomst buiten de sloppenwijk voor hen zou ontstaan.
Bij het inleveren van de aanmeldingsformulieren kwamen we slechts tot vijf kinderen. De andere vijf beschikten niet over een noodzakelijk geboortebewijs of wisten al dat ze niet de juiste leeftijd hadden doorgegeven. Ze zijn ooit geboren op het platteland en met de familie vertrokken naar de stad, naar Kaapstad. Een secuur geboorteregistratiesysteem is er niet altijd en overal geweest. De andere vijf konden helaas ook niet meedoen aan de grote wedstrijd. Ze hadden niet helemaal de juiste leeftijd doorgegeven, bleek bij het kopiëren van het geboortebewijs. In maart is de volgende sportdag.
Door: Bas